Ken je de man die naast jou woont?

DIE

‘die’ verwijst naar een de-woord. Met ‘die’ kan je verwijzen naar personen of naar dingen. ‘die’ is subject of direct object van de relatieve bijzin en combineer je dus niet met een prepositie.

  • De dozen die op de grond staan, mogen weg.
  • Waarom bel je naar de vrouw die nooit tijd voor je heeft?

WIE

‘wie’ verwijst altijd naar een persoon. Vóór ‘wie’ staat er een prepositie. Het maakt niet uit of je relatieve bijzin verwijst naar een het- of de-woord.

  • Hij zwaait naar het meisje op wie hij verliefd is.
  • De collega’s met wie we vaak discussiëren, zijn niet op de vergadering.