“er” als voorlopig onderwerp
Een auto staat voor de garage.
-> Er staat een auto voor de garage.
Geen auto staat op de parking.
-> Er staat geen auto op de parking.
Auto’s staan op de parking.
-> **Er ** staan auto’s op de parking.
Een auto wordt geparkeerd.
-> Er wordt een auto geparkeerd.

“er” als plaats

Hij is al in Afrika geweest.
-> Hij is er al geweest.

Ik ga elk jaar op vakantie in Frankrijk.
Ik ga er elk jaar op vakantie.

“er” + prepositie

De tafel staat in de keuken. Het boek ligt op de tafel.
De tafel staat in de keuken. Het boek ligt erop.

De koe staat in de wei. De ezel staat naast de koe.
De koe staat in de wei. De ezel staat ernaast.

“er” van hoeveelheid

Hoeveel kinderen heb jij? Ik heb er 2.