Een adverbium of bijwoord staat bij een adjectief, een verbum, of een ander adverbium. Het kan ook bij een volledige zin horen.

voorbeelden in context van adverbia

Bijwoorden zijn belangrijke woorden, waarmee je heel veel kan uitdrukken:

tijd (wanneer?)
eergisteren,
gisteren,
vandaag,
morgen,
overmorgen,
onlangs,
ooit,
dadelijk,
meteen,
onmiddellijk,
nu,
straks,

frequentie (hoe vaak?)
dagelijks,
dikwijls,
geregeld,
soms,
meestal,
nooit,
ooit,
vaak,
voortdurend,
zelden,

plaats (waar?)
er,
ergens,
hier,
nergens,
overal,

modaliteit (hoe?):
allerlei,
alsnog,
althans,
alvast,
alweer,
amper,
blijkbaar,
bovendien,
dankzij,
daarentegen,
desnoods,
echter,
graag,
inderdaad,
intussen,
integendeel,
indien,
immers,
maar,
misschien,
minstens,
namelijk,
nauwelijks,
nochtans,
nogal,
nogmaals,
onafgebroken,
ondanks,
opnieuw,
plots,
toch,
uiteraard,
tevergeefs,
trouwens,
tussendoor,
ongetwijfeld,
uitermate,
voortaan,
waarschijnlijk,
zeer
zelfs,

Adjectief als adverbium
soms worden adjectieven gebruikt als bijwoord (zie: vorm van het adjectief als het als bijwoord wordt gebruikt].
Ik ben trots op mijn prestaties.
Ik loop heel snel naar de winkel.
voorbeelden in context