Ken ik jou niet?
Is dat jouw auto?

Jouw of jou; in het gesproken Nederlands hoor je bijna geen verschil. In het geschreven Nederlands is het onderscheid wél belangrijk en moet je nauwkeurig de spellingsregels toepassen.

JOUW

Je schrijft een ‘w’ als je ‘jou’ combineert met een substantief.
Het substantief staat direct achter ‘jouw’.
Je schrijft dus een ‘w’ als je ‘jou’ possessief gebruikt.

         
 Jouw resultaat is niet schitterend.
 Mag ik jouw pen gebruiken?

JOU

‘jou’ is nooit subject maar maar verder kan ‘jou’ overal in de zin staan.
Je schrijft ‘jou’ dan altijd zonder ‘w’.

         
 Waarom hoor ik jou nooit?
 Hij heeft naar jou gevraagd.
 Ik heb jou niet gezien.

JOUW? JOU? … JE.

Je kan de hele problematiek van ‘jouw’ en ‘jou’ vermijden door systematisch ‘je’ te gebruiken.

         
 Je resultaat is niet zo schitterend.
 Hij heeft naar je gevraagd.

‘Je’ heeft echter weinig klemtoon. Daarom zal je in het gesproken Nederlands vooral de beklemtoonde vorm ‘jou(w)’ horen.