Ik vier kerstmis met mijn familie.
We gaan de hele nacht feesten.

VIEREN

‘Vieren’ is een transitief werkwoord.

Je viert altijd iets. 

Bij ‘vieren’ preciseer je wàt je gaat vieren met een direct object. 

Volgende maand viert mijn oma haar negentigste verjaardag.  // 

De baas wilde graag de geboorte van zijn eerste kleinkind vieren.// 

[[http://www.taalblad.be/zoek.php?qvieren+OR+vierden+OR+viert+OR+gevierd+site:taalblad.be|voorbeelden van ‘vieren’ in context]]

 FEESTEN

‘Feesten’ is een intransitief werkwoord.

Je gebruikt ‘feesten’ in een algemene context, zonder te preciseren en zonder direct object.

Ze hebben 3 dagen lang uitbundig gefeest.// 

Jongeren feesten graag.// 

[[http://www.taalblad.be/zoek.php?qfeest+OR+feesten+OR+feestte+OR+feestten+OR+gefeest+site:taalblad.be|voorbeelden van ‘feesten’ in context]]

OPMERKING

‘Vieren’ wordt in het Nederlands veel vaker gebruikt dan ‘feesten’.

Het werkwoord ‘feesten’ kom je in het Nederlands niet zo vaak tegen. 

‘feesten’ als meervoud van het substantief ‘feest’ is daarentegen wél heel courant. 

De Gentse Feesten zijn een jaarlijks terugkerend evenement.// 

We zijn uitgenodigd op verschillende feesten.//